Bij
tuinvijvers denken de meeste mensen direct aan vissen. Bij voorkeur
goed zichtbare soorten zoals goudvissen, goudwindes of koi. Verder
'hoort' er een waterlelie in, een fontijn of klaterend beekloopje, een
tuinornament (beeldje) en natuurlijk een dikke kikker die op zwoele
zomeravonden een kwaakconcert geeft (maar niet te luid want anders
kunnen de buren er niet van slapen). Maar gaat dat allemaal wel samen?
En zijn er ook meer natuurlijke vijvers mogelijk? Jawel, natuurlijk kan
dat. Maar laat ik bij het begin beginnen:
Wat doen vissen in een vijver?
Rare vraag mischien, vissen zwemmen natuurlijk. Daarnaast eten ze,
springen ze soms boven water en zo. Vissen eten visvoer, maar zoeken
ook op hun natuurlijke wijze naar ander voedsel in de vijver. Veel
soorten woelen hierbij de bodem om of eten planten. Goudvissen en koi
doen dit in sterke mate, goudwindes doen het nauwelijks. De meeste
vissen zijn van nature omnivoor. Dat betekend dat ze zowel dierlijk als
plantaardig voedsel eten. De meeste soorten hebben een voorkeur voor
waterinsecten, visse-eieren, kikkervisjes en net geboren visjes.
Hierdoor gaan vissen slecht samen met amfibieën en waterinsecten.
Kikkers en salamanders
Amfibieën (kikkers, padden en salamanders)
leven van nature meestal in kleine, stilstaande plassen en poelen.
Zulke plassen en poelen hebben de verveldende eigenschap dat ze zo nu
en dan opdrogen. De amfibieën zijn hieraan aangepast zodat ze heel
goed in staat zijn om nieuwe leefgebieden te vinden en bevolken. Ook
geschikte nieuwe tuinvijvers vinden ze meestal al in het eerste of
tweede jaar nadat die zijn aangelegd. Maar, de meeste soorten
amfibieën mijden vijvers waar vis in zit. In plaats van in
visrijke vijvers te blijven, zoeken ze liever door naar een plekje
zonder vis, omdat kikkervisjes en salamanderlarfjes in een vijver met
vis geen schijn van kans maken om te overleven. Nu is dit wel wat erg
ongenuanceerd: een en ander verschilt per soort amfibie, per soort vis
en het hangt samen met de dichtheid aan waterplanten (schuilplaatsen)
en de hoeveelheid vis. Gewone padden trekken zich weinig aan van vis:
padde-visjes hebben gifklieren in hun huid waardoor ze oneetbaar zijn
voor vissen. Sommige kikkervisjes van groene kikkers, larfjes en kleine
watersalamanders kunnen overleven als er weinig vissen zijn en
tegelijkertijd veel dichte planten om tussen te schuilen. Bruine
kikkers leggen zoveel eieren dat er soms zoveel (duizenden)
kikkervisjes aanwezig zijn dat er een redelijke kans is dat er nog wel
een paar grootkomen. Andere soorten amfibieën zijn veel gevoeliger
en de aanwezigheid van een enkele vis kan al betekenen dat de vijver
niet geschikt is voor ze. Voor alle sooorten amfibieën geldt dat
een vijver zonder vis duidelijk geschikter is als een met vis. Dit
verklaard meteen ook waarom uitzettingen van vis in natuurlijke
amfibieënpoelen desastreuze gevolgen heeft.
Amfibieën
zijn heel goed in staat om geschikte tuinvijvers binnen korte tijd op
te zoeken en zelfstandig te bevolken. Komen ze niet vanzelf, dan heeft
uitzetten ook geen zin. Meestal zal er iets mankeren aan de vijver. Een
ongeschikte vijver verlaten ze binnen de kortste keren. Uitzettingen
hebben bovendien tot gevolg dat amfibieën van verschillende
populaties zich met elkaar vermengen. Onderzoek heeft uitgewezen dat al
op een afstand van minder dan 10 km genetische verschillen bestaan
tussen amfibieënpopulaties. Deze verschillen worden teniet gedaan
door uitzettingen, waardoor de genetische diversiteit van de inheemse
amfibieën-soorten afneemt. Uitzetten van buitenlandse soorten kan
tot gevolg hebben dat ze de inheemse soorten wegconcurreren.
Libellen
Grote libellen (glazenmakers) en kleine libellen (waterjuffers) hebben
een soort haat-liefde relatie met vissen. Libelle-larven leven in het
water en jagen daar op kleine diertjes. Piepkleine visjes (tot een
centimeter lang of soms iets langer) zijn een makkelijke prooi voor
libelle-larven. Op die manier profiteren libellen dus van de
aanwezigheid van vis. Aan de andere kant eten vissen dezelfde
waterinsecten die ook worden gegeten door libelle-larven en vissen eten
kleine libelle-larven. In de praktijk zijn er altijd veel minder
waterinsecten in tuinvijvers met vis, vergeleken met vijvers zonder
vis. Dit weegt niet op tegen de beschikbaarheid van net geboren visjes
(die bovendien maar tijdelijk is). Dus ook voor libellen geldt dat ze
de voorkeur geven aan vijvers zonder vissen. Ook veel andere
waterinsecten weten binnen korte tijd een visloze vijver te vinden.
Planten
Vissen en waterplanten kunnen heel goed samen gaan, maar dat hangt er
wel van af wat voor soort vissen en hoeveel vissen in de vijver zitten.
Vissoorten die planten met rust laten zijn onder andere: goudwinde, goudelrits en zonnebaars. Goudvissen, goudzeelt en goudvoorns
eten wel van planten maar als er weinig vissen in de vijver zitten
kunnen die nog goed in een beplante vijver worden gehouden. Bij grote
plantenetende vissen zoals koi en graskarper moeten meestal speciale maatregelen genomen worden om de planten te beschermen tegen de vissen.
|
|
Een
vijver zonder vis kan goed een vijver zonder zorgen zijn: geen pomp
nodig, nooit last van reigers, katten, visziekten... Na een
opstart-periode beginnen waterinsecten hun nieuwe leefgebied spontaan
te bevolken en in hun kielzog verschijnen bijna overal (tot in het
centum van steden toe) kikkers, padden en watersalaman-ders. Op deze
manier is het mogelijk op aan natuur-ontwikkeling te doen in de tuin:
de randvoorwaarden worden gecreërd, vervolgens doet de natuur de
rest.
|
|