In
verzorging verschillen buffelruggen niet veel van 'gewone' goudvissen.
Toch moet met een paar van hun typische 'raskenmerken' rekening worden
gehouden:
De
kophuid is in meerdere of mindere mate verdikt en bobbelig gevormd.
Hierdoor zijn buffelruggen extra gevoelig voor bacterie-infecties, die
samen hangen met een minder goede waterkwaliteit. Om dit te voorkomen
moet de waterkwaliteit regelmatig gecontroleerd worden en door water
verversen en filtering het nitraat en nitriet gehalte zo laag mogelijk
worden gehouden.
De
dubbele staartvin maakt dat buffelruggen relatief langzaam zwemmen. Hun
topsnelheid ligt nauwelijks hoger als hun normale zwemsnelheid.
Hierdoor zijn ze nauwelijks in staat om katten en andere viseters te
ontlopen. Vijvers en aquaria met buffelruggen moeten dan ook altijd
katdicht beveiligd zijn.
Buffelruggen
hebben een verkorte ruggegraat waardoor ze een bolle lichaamsvorm
krijgen. Bij de meeste handelsexemplaren is deze verkorting niet
zodanig dat ze evenwichtsproblemen krijgen, wat bij extreem kort
gebouwde 'tentoonstellings'-exemplaren wel het geval kan zijn. De bolle
vorm maakt wel dat ze in de ogen van andere goudvissen lijken op
kuitrijpe vrouwtjesgoudvissen. Mannetjesgoudvissen van alle rassen
kunnen hierdoor buffelruggen achterna zitten in de hoop dat ze eieren
gaan leggen. Vanwege de dubbele staart kunnen buffelruggen dit
nauwelijks ontwijken waardoor ze veel stress kunnen oplopen. Om deze
reden is het beter ze niet met 'enkelstaartige' goudvissen samen te
houden. Wanneer ze samen met andere vissoorten zoals windes en koi
worden gehouden, kunnen buffelruggen te weinig voedsel krijgen doordat
ze als laatste bij het voer zijn. Alleen samenhouden met andere
'dubbelstaartige' goudvisrassen levert geen speciale problemen op.
Buffelruggen
zijn niet speciaal gevoelig voor lage temperaturen en kunnen in
tuinvijvers overwinteren, mits de waterkwaliteit goed blijft.